Fiction on Friday: De dief

“Wie is daar?” Ergens ver weg hoor ik het geluid van metaal op metaal. Een sleutel in het slot. Het zijn de dieven. Het zijn ze echt. Ze komen me pijn doen. Ik duik in elkaar op de bank als de deur van het slot gaat. “Ga weg!”, schreeuw ik. “Laat me met rust!”

“Pap, ik ben het. Marco.” De dief hangt over me heen, ik voel het aan zijn adem in mijn nek. Hij trekt aan me, wil me overeind sleuren.
“Pap, doe even rustig,” roept de indringer als ik het op een schreeuwen zet. Ik wil wegrennen, weg van hier, maar de dief houdt mijn polsen vast.
“Ik bel de politie, ik doe het echt!” Mijn ogen zoeken naar het apparaat waarmee ik kan bellen, maar in alle paniek weet ik niet meer hoe het eruit ziet. Dan schiet me iets te binnen. Mijn vrouw, die was hier net nog. Waar is ze?
“Waar is ze?!”, schreeuw ik tegen de dief. Hij kijkt me aan met zijn hoofd schuin.
“Mijn vrouw, wat heb je met haar gedaan?!”
“Pap, Maria is vorig jaar overleden. Weet je nog?” Ik duw mezelf tegen de hoek van de bank, de dief laat mijn polsen los. Hoe weet hij dat ze Maria heet?
“Wie ben jij? Vertel op!” De indringer staat op en drukt op een vreemd knopje bij mijn bed. Mijn hart schiet in mijn keel als de deur nog een keer open gaat. Het is Maria, godzijdank het is Maria. De dief loopt mijn huis uit, zomaar. Alsof er niets gebeurd is.
Maria neemt me bij de hand en legt me in bed. “Gaat u maar even lekker liggen, meneer Notenboom.” Ze duwt de witte teddybeer in mijn hand. Langzaam dommel ik weg.

Ik word wakker. Wat doe ik in bed op een klaarlichte dag? Ik schuif mijn voeten in mijn blauw geruite sloffen en loop richting de telefoon. Ik toets het nummer in dat op een briefje op de tafel ligt.
“Pap?”, hoor ik aan de andere kant van de lijn.
“Hoi Marco. Kom je nog langs vandaag? Ik had je wel verwacht.” Het is stil.
“Ik ben al geweest pap, het ging niet zo goed met je. Weet je dat nog?”
Ik kijk de kamer rond, op zoek naar een teken dat mijn zoon pas langs is geweest. Ik ontdek niets. “Nee, dat weet ik niet meer.” Weer stil. “Sorry jongen”, fluister ik voordat ik de hoorn weer op het toestel leg. Ik loop naar mijn raam en staar naar het vogelnestje in de onderste takken van een boom.

Love, Bente (2)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *